dinsdag 6 december 2011

Karikatuur van verzetsstrijder J.B. Charles

Aldus een zoveelste losse flodder van Kieft in het NRC-Handelsblad. Hij zegt er niet bij wat hij bedoelt, in welke zin een karikatuur en dus heeft de lezer niets aan zo'n opmerking - en ik evenmin. Wat bedoelt hij? Kent Kieft het werk van Charles wel? Kent hij de recente biografie van Schuyt? Hoe dan ook, volgens mij geef ik van Charles allerminst een karikatuur, ik bewonder de man zeer, heb dat altijd gedaan en doe in het betreffende hoofdstuk niets anders dan zo neutraal mogelijk zijn positie en belangrijkste werk beschrijven. Zo neem ik het in de polemiek met W.F. Hermans vanwege zijn keuze voor de zogenaamde Derde Weg nadrukkelijk voor hem op. 'Toch was Charles consequenter dan het lijkt,' staat in Dat nooit meer
'en spoort zijn keuze voor een tussenweg perfect met de houding die hij ook tijdens de oorlog had aangenomen. De enige manier om vrede te bereiken, zegt hij, is niet te trappen in de val van het minste kwaad... Eenzelfde mening was hij nu toegedaan. Als je van twee kwaden (communisme én amerikanisme) de minst kwade kiest, schrijft hij, zit je altijd nog met het kwaad opgescheept.'
Aldus de toon van het hoofdstuk over Charles. Karikatuur? Laat Kieft een (1) voorbeeld geven. Zolang hij dat niet doet is deze opmerking als alle andere van zijn hand: een slag in de lucht. 

maandag 5 december 2011

Banalisering van de discussie

'De[ze] manier van opsommen van uiteenlopende kwesties is bij uitstek de uitdrukking van zijn relativerende perspectief: het kleiner maken van alles dat verontwaardiging en ophef heeft gegenereerd. Het effect ervan is banalisering van de discussie: wie zich ergens druk over maakt is niet goed snik.'
Aldus Dienke Hondius in haar bizarre kritiek in De Groene Amsterdammer. Inderdaad relativeer ik alles. Dat is volgens mij het doel van elke beschouwing en zeker de taak van wetenschap: niet vanzelfsprekend meedoen aan opwindingen, modes en hypes. Dit betekent echter beslist niet dat elke discussie gebanaliseerd wordt, laat staan dat opwinding als een vorm van dwaasheid wordt gezien. Er staan honderden passages in Dat nooit meer waaruit het tegenovergestelde blijkt. Laat ik als voorbeeld een fragment nemen over een man die ik vrij goed gekend heb, Gerhard Durlacher. Ik neem deze passage ook omdat Hondius in navolging van enkele anderen natuurlijk eigenlijk wil beweren dat ik de Shoah 'kleiner' maak - en precies daarover gaat de passage op p. 581. Hierin beschrijf ik Durlachers zoektocht in de jaren tachtig van de vorige eeuw naar zijn verleden en ontmoeting in Israël met enkele mannen die met hem het kamp overleefden.
'Kort hierop zitten de drie mannen bijeen en praten – over het kamp, hun wonderbaarlijke overleving, het heden. Een van de verklaringen voor hun redding, zo vertellen de twee Israëliërs, zou kameraadschappelijkheid zijn geweest. Durlacher hoort hen aan maar herinnert zich het wolvengedrag in het kamp, en hoe ‘een quasi-kapo uit onze groep een van ons bloedig en meedogenloos in elkaar sloeg.’ Hij probeert zijn scepsis te verbergen. Welk recht heeft hij anderen hun troostende herinnering te ontnemen? Weer even later ontmoet hij een vierde uit hun groep. Hij is rabbijn en verlegen. In het gesprek vallen lange stiltes. Hij overhandigt Durlacher een boekje over degene die verantwoordelijk voor de redding zou zijn: God. De ontvanger weet met het geschenk geen raad.
Op deze wijze vervolgt Durlacher zijn zoektocht, ontmoet meer lotgenoten, specialisten als Wiesel en Hilberg, leest, schrijft, spreekt. Maar een antwoord op zijn vragen vindt hij niet – niet echt. Dat kan ook niet want zijn vragen zijn, hoewel emotioneel duidelijk, intellectueel vaag en eerder existentieel dan historisch.'
Als dit banalisering is, krijgt Hondius van mij gelijk.

zondag 4 december 2011

Onjuist gebruik van een citaat van Henk Hofland

In het hoofdstuk over het voortleven van de oorlog in de actualiteit en de voortdurende verwijzing naar München (hfst. 29, p. 675) wordt geciteerd uit een artikel dat Henk Hofland publiceerde aan de vooravond van de inval in Irak, februari 2003. De suggestie die van het citaat uitgaat is dat Hofland een voorstander van een inval in Irak & een tegenstander van toegeven in Chamberlain's trant zou zijn geweest. Die suggestie is onjuist. Zoals geïllustreerd wordt door andere artikelen (en ook hier) was Hofland juist van mening dat een vergelijking met München onverstandig was. 'Volgens mij heb ik me in columns en artikelen consequent tegen die vergelijking verzet,' schreef hij me, 'en bovendien Bush als een zich voortdurend vergissende megalomaan beschreven. Ik was ervan overtuigd dat Hans Blix en zijn inspecteurs zoveel mogelijk tijd moest worden gegund, en dat daarna Saddam door een politiek van containment in bedwang moest worden gehouden.' Geen aanval dus, geen appeasement maar containment, daarvoor pleitte Hofland. Uit Dat nooit meer wordt dit, vooral door de passage die volgt op het citaat, niet duidelijk. Hofland meende dat 'wij', de Westerse politiek, geen München wilden. Maar hijzelf distantieerde zich, zoals zo vaak, van deze 'wij'.
Die distantie werd overigens al eerder in Dat nooit meer beschreven, op p. 444-445 namelijk. Het engagement van zijn generatie was kortstondig, zo wordt gesteld.
'Het blijkt duidelijk uit de latere, hier en daar sterk gewijzigde edities van Tegels lichten. Daarin is de ironie sterker, de twijfel groter, het revolutionaire gehalte geringer, de hoop verdwenen. De oorlogsgeneratie, zo zou je veralgemeniserend kunnen zeggen, legde zich evenals de voorstanders van een naoorlogse doorbraak na enkele jaren van radicalisme bij ‘de feiten’ neer. De overgrote meerderheid werd actief in de poldermodellen van bestuur, politiek, media, cultuur en wetenschap terwijl een aantal onafhankelijken, onder wie Hofland, zich terugtrok op de positie die deze generatie altijd eigen was geweest maar in de euforie van de late jaren zestig even leek te verlaten: van buitenstaander.'

Betekenis van de oorlog voor de Europese integratie achterwege gelaten

beweerde Paul Scheffer in een verder opmerkelijk lovende recensie in de Volkskrant van 29 oktober 2011. Hij zei het volgende:
'dat de beschavingsbreuk van Auschwitz een ijkpunt vormt is wel zeker. Het verbaast daarom dat Van der Heijden de belangrijkste doorwerking daarvan onbesproken laat. En dat is de betekenis van de oorlog voor het streven naar Europese integratie. Doordat de buitenlandse politiek goeddeels buiten zijn beschouwing valt, komt hij niet toe aan deze conclusie die door de oorlogsgeneraties is getrokken uit het 'dat nooit meer', namelijk de gedachte dat de nationale grenzen moesten plaatsmaken voor een continentale lotsgemeenschap. Kohl en Mitterand, maar ook Lubbers en Kok, kozen ervoor om na de val van de Muur de Duitse eenheid 'onomkeerbaar' te verankeren in Europa door middel van een monetaire unie. Die stap werd gerechtvaardigd door de overtuiging dat ze behoorden tot de laatste generatie die nog herinneringen had aan de oorlog. Die verplichting droegen ze met zich mee en zo is de euro de monetaire uitdrukking geworden van dat 'nooit meer'.
Een mooie kritiek die, denk ik, ook wel terecht is. Ik heb het hier in Dat nooit meer wel over maar inderdaad niet expliciet genoeg en vooral met betrekking tot de relatie tussen Nederland en Duitsland, zie ondermeer pagina 565-567. Hier staat tegenover dat ik iets minder stellig geweest zou zijn dan Scheffer in het leggen van een relatie tussen Shoah en euro. Laatstgenoemde lijkt me eerder een uitvloeisel van een lang politiek en economisch proces dan van de veel minder lange dominante aanwezigheid van de Shoah. Verder is het zo dat Dat nooit meer nadrukkelijk over Nederland ging. Maar toch, Scheffer heeft gelijk, dit aspect had meer aandacht kunnen krijgen.

zaterdag 3 december 2011

Even iets heel anders & aardigs tussendoor

Temidden van alle gevecht over de oorlog en zijn nasleep verscheen er in het Financieel Dagblad van vandaag, zaterdag 3 december, even iets heel anders en aardigs: een interviewtje met ondernemer Paul Jacobs, oprichter van opwaarderen.nl en Prepaid Union. Het vertelt het volgende:
'De inefficiëntie van de ontwikkelingshulpsector is een onderwerp dat me erg interesseert. Een paar jaar geleden las ik het boek Een dollar per dag van journalist Chris van der Heijden. Hij schrijft over de mogelijkheden en onmogelijkheden van ontwikkelingshulp. Eén ding is me erg bijgebleven: als je iets wilt doen aan de armoede in de derde wereld, moet je dat vooral niet voor jezelf doen. Van der Heijden laat in zijn boek zien dat ontwikkelingshulp vaak wordt verleend ter meerdere eer en glorie van de gever, terwijl eigenlijk de ontvanger centraal zou moeten staan. Ik lees veel over dit onderwerp en wil mezelf geen scepticus noemen, maar ik zie nu wel in dat ontwikkelingshulp in veel gevallen niet of zelfs averechts werkt. Het grote probleem is vaak het enorme gebrek aan efficiëntie - dat toont Van der Heijden ook aan. Zelfs bij de tegenwoordig zo populaire microkredietverstrekking blijft er aan het eind van de streep weinig concreets over van de goede bedoelingen. Het lezen van Van der Heijdens boek heeft mij dan ook geïnspireerd tot het oprichten van Prepaid Union. Met dit bedrijf richten we ons op migranten. Mensen die hier wonen en werken kunnen op een makkelijke manier beltegoed cadeau doen aan familie of vrienden in het thuisland. De gedachte hierachter is dat mensen meer particulier initiatief kunnen nemen. De penetratiegraad van mobiele telefonie in de derde wereld is heel hoog. Door beltegoed te schenken kun je mensen in armere landen laten communiceren en zodoende bijdragen aan hun ontwikkeling. In Een dollar per dag laat Van der Heijden goed zien dat wij in het moderne Nederland helemaal niet weten wat armoede echt voorstelt. Ook maakt hij duidelijk dat het ongelofelijk moeilijk is om daadwerkelijk het armoedeprobleem te verminderen. In domweg geven geloof ik dan ook niet.'
het origineel, zie hier 

Beklaagt zich erover dat ‘er als gevolg van de groeiende betekenis van de Shoah' zo weinig aandacht is voor het lot van kinderen van foute ouders

En weer Havenaar in Vrij Nederland. Het mooie van de zinsnede is dat een paar woorden ervan tussen aanhalingstekens staan en ik dus precies weet op welke passage in Dat nooit meer de wijsheid is gebaseerd. De passage staat in het hoofdstuk waarin beschreven wordt dat er aandacht kwam voor andere slachtoffergroepen - Indische Nederlanders, Sinti en Roma, homoseksuelen, Jehova's Getuigen en tewerkgestelden. Uiteindelijk en als laatste komt de volgende generatie aan bod. Er staat:
'Zo mogelijk nog problematischer dan van gedwongen tewerkgestelden was de publieke positie van de zogenoemde ‘kinderen van foute ouders’. Toch was het onvermijdelijk dat ook zij in de openbaarheid kwamen. Dit om te beginnen omdat spoedig nadat eind jaren zestig, begin zeventig aandacht voor allerlei slachtoffergroepen gevraagd was, ook over de kinderen van deze groepen gesproken werd. In Nederland gebeurde dit voor het eerst in 1973, in een kort en aarzelend artikel in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid. Uitgangspunt van dit artikel was de constatering dat er voor de in hetzelfde jaar ingevoerde Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers al 14 000 aanvragen waren binnengekomen en er elke maand 500 nieuwe bij kwamen. Op basis hiervan zou slechts één conclusie mogelijk zijn: 
dat in een zeer groot aantal gezinnen één of beide ouders lijdende zijn aan het k.z. syndroom. De kans is groot dat een niet te verwaarlozen deel van de kinderen uit deze gezinnen in hun groei naar volwassenheid belemmerd wordt door de neurotiserende omstandigheden waarin zij verkeren.
Veel meer wisten de auteurs niet te vertellen. ‘Er is weinig over [de trauma’s van de kinderen van oorlogsslachtoffers] bekend,’ luidde het kortweg. Dat klopt maar zou binnen een jaar of tien veranderen, om te beginnen doordat professionals uit de zorgsector zich in het onderwerp begonnen te verdiepen, vervolgens doordat degenen die als kind de gevolgen van oorlog en nasleep hadden ondergaan zelf hun verhaal begonnen te vertellen. Gezien de groeiende betekenis van de Shoah voor het oorlogsverhaal ligt het voor de hand dat in beide gevallen de meeste aandacht uitging naar kinderen van joodse komaf, vervolgens naar kinderen van concentratiekampslachtoffers, verzetsstrijders, Indische Nederlanders en burgerslachtoffers. Pas later kwam er publieke belangstelling voor de kinderen van andere groepen, waaronder die van foute ouders.'
Is dit een klacht?
By the way: ooit stelde ik over die kinderen een uitvoerige bloemlezing samen. Daarin vele achtergronden over deze problematiek, in dit geval inderdaad bekeken vanuit die kinderen. Die bloemlezing is hier te vinden

Betoogt en dat is ernstig dat de Shoah onlosmakelijk deel is geworden van de politieke ideologie van het Westen

'Ernstiger is nog dat de Shoah volgens Van der Heijden onlosmakelijk deel is geworden van wat hij de politieke ideologie van het Westen noemt: "aanvaarding van de Shoah-erfenis werd welhaast voorwaarde voor deelneming aan de westerse samenleving". Het is duidelijk dat we volgens deze auteur in het Westen zuchten onder een politiek-moreel juk dat hoognodig afgeschud moet worden. Maar alweer: hoe kan die bevrijding gestalte krijgen zonder te tornen aan de "morele positie" van de Shoah, die volgens Van der Heijden buiten kijf staat?
Aldus Ronald Havenaar in Vrij Nederland. Over dat juk en afschudden heb ik het elders, hier even over die eerste zin. Want ook wat deze opvatting betreft ben ik alles behalve origineel. Havenaar had dat aan de noten kunnen zien. Maar blijkbaar zegt de daarin genoemde persoon (Tony Judt, met tallozen in zijn voetspoor) hem niets. Dat vind ik nu weer ernstig. Ten overvloede een citaatje van een van die tallozen - er zijn er velen, velen meer:
'One can thus agree with Tony Judt's paraphrasing of Heine that nowadays, not baptism but Holocaust remembrance (or, with reference to the EU accession talks with Turkey, the coming-to-terms with its responsibility for the genocide of the Armenians) is the entréebillet to Europe.'
Is deze visie 'ernstig'?