zaterdag 3 december 2011

Wonderlijke passage over het dagboek van Anne Frank

meent Kieft in het NRC-Handelsblad en vervolgt:
'dat volgens Van der Heijden succes kreeg omdat het de mogelijkheid bood de Shoah te negeren en er een universeel verhaal van te maken. Alsof de wetenschap dat Anne Frank omkwam in Bergen-Belsen niets te maken had met de ontroering van het publiek.' 
Nog even en ik heb geen haar meer op mijn hoofd! Want om te beginnen dat negeren. Dat is nu precies wat ik (overigens allerminst origineel, wat ik beschrijf is gemeengoed onder Anne Frank-kenners) niet zeg. Zo vertel ik over toenmalige (jaren vijftig) neiging niet over de Shoah te spreken en vervolg:
'Het is eenvoudig te begrijpen dat die stilte als vreemd, om niet te zeggen vervreemdend werd ervaren. Wat was daarom meer geschikt om de stilte te doorbreken dan een verhaal dat vertelde zonder te benoemen – het eerste pijnloze hoofdstuk van een buitengewoon pijnlijk verhaal zoals een modern commentator zegt – en dat aan de gebeurtenis zelfs een geruststellende, optimistische draai gaf?'
Dan die universaliteit. Ook die is common knowledge onder kenners en evident in de voor de internationale receptie beslissende Amerikaanse versies van het dagboek in theater en film. Anders gezegd, het dagboek van Anne Frank werd in de VS losgemaakt van zijn historische context, dat gebeurde heel bewust en daarover gaat het betreffende hoofdstuk in Dat nooit meer. Natuurlijk had het succes ervan te maken met de ontroering van het publiek. Die ontroering had echter niets te maken met het joods-zijn van Anne. Die ontroering betrof 'een mens in vreselijke omstandigheden'. Ik geef hiervan het ene voorbeeld na het andere. Zie bijvoorbeeld dit citaat (p. 296) over de theaterversie. Daarin, zo schrijf ik,
'werd de teneur van het dagboek nogal veranderd – beter gezegd: kregen sommige aspecten meer klemtoon dan in de ogen van Levin [iemand die juist het joodse karakter wilde beklemtonen] terecht was. Dat geldt met name het optimisme en, volgens Levin nog kwalijker, het aan dat optimisme gerelateerde ‘universalisme’: het feit dat het dagboek van Anne Frank zo veel mogelijk ontdaan werd van zijn joodse kenmerken en tot een tragedie gemaakt die iedereen overal had kunnen overkomen. Een goed voorbeeld van dit laatste is de zin ‘wij zijn niet de enige joden die moesten lijden. Door de eeuwen heen zijn er joden geweest en zij moesten lijden.’ In de toneelversie werd dit: 'wij zijn niet de enige mensen die moesten lijden. Door de eeuwen heen zijn er mensen geweest die moesten lijden. Soms om hun ras, soms om iets anders.'

Meent dat er op het unieke karakter van de Holocaust wel wat af te dingen valt

Aldus Havenaar in Vrij Nederland, met tussen streepjes na het begrip holocaust een uitleg van die uniciteit: 'racistisch gemotiveerd, systematisch georganiseerd en als industrieel proces uitgevoerd'. In deze combinatie is de Shoah (dat woord gebruik ik liever) inderdaad uniek maar dat wil nog niet zeggen dat het fenomeen uniek is. De Shoah is een verschijningsvorm van een fenomeen dat helaas maar al te vaak voorkomt. Je kunt de uniciteit beklemtonen, je kunt ook nadruk leggen op het fenomeen en volgens mij neigt men in afgelopen jaren naar het laatste. In dit verband het volgende citaat uit Dat nooit meer, pagina 701, het einde van het (op de epiloog na) laatste hoofdstuk.

'De Shoah staat als verklaring voor een negatieve beoordeling van het nazisme voorop. Vandaar dat sommigen elke poging tot normalisering van de oorlogsgeschiedenis gelijkstellen aan een poging tot relativering van de Shoah en dus als een morele misstap... Opmerkelijk genoeg leidt juist deze absoluutheid via een ingewikkelde omweg toch weer tot relativering of – wat niet hetzelfde is – historisering van het fenomeen. Immers, onder indruk van de Shoah én de gebeurtenissen in de jaren negentig in onder meer voormalig Joegoslavië en Rwanda ontstond eind twintigste eeuw op een aantal plekken min of meer tegelijktijdig een nieuwe academische discipline: genocide-studies. Uit deze blijkt keer op keer dat de Shoah een gebeurtenis is onder vele, een gebeurtenis bovendien die heel wat dieper verankerd is in de westerse traditie dan men zou wensen... De morele positie van de Shoah was anno 2010 onaantastbaarder dan ooit. Tegelijkertijd blijkt diezelfde Shoah een historisch fenomeen en dus onderhevig aan dezelfde inzichten als andere historische fenomenen. In de spanning tussen deze twee uitersten – morele eenvoud versus historische veelvoud – is nog heel wat ontlading denkbaar.'
Havenaar vindt een dergelijke passage ontoelaatbaar. Maar als dat zo is, dan kan je de volledige genocide-studie in de prullenbak gooien en de helft van het NIOD - steeds meer instituut voor genocidestudies - sluiten.

Omarmt KVP-politici als Kortenhorst en De Quay

stelt Elsbeth Etty - iemand die mij al jaren zwart maakt - in een column in het NRC-Handelsblad. Zoals in zoveel gevallen begrijp ik totaal niet hoe ze hierbij komt. Ik ben opgevoed in een katholieke wereld maar heb daarvan als jochie al afstand genomen. Het is waar dat die wereld me altijd is blijven fascineren, zij het in geheel andere zin dan Etty suggereert. Voor het overige heb ik eerder gevoelens van weerzin tegen dan van bewondering voor katholieke zaken - en dat zeker waar het de politiek betreft. Ik begrijp dan ook werkelijk niet waar Etty haar mening vandaan haalt. Wat klopt is dat katholieke politici als Kortenhorst en De Quay veel invloed hadden, zeker in de jaren vijftig, dat ik die invloed beschrijf en daarmee indirect betoog dat het volstrekt onjuist is, zoals sinds de jaren zestig in toenemende mate is gedaan, die invloed te veronachtzamen. Dit is mijn taak als historicus. Maar die beschrijving en beklemtoning wil toch nog niet zeggen dat ik die invloed bepleit of de personen in kwestie bewonder? Je bent toch geen nazi als je over de betekenis van Hitler in de jaren dertig schrijft, geen Lutheraan als je nadenkt over Wittenberg? Het verbaast mij van iemand die, zo dacht ik altijd, zo talig is als Etty. Maar dat is ze in het geheel niet - zie ook hier -, ze is een politica die zonder mededogen 26 letters voor haar karretje spant.

Voor wie wil weten hoe ik in deze kwestie werkelijk over katholieke politiek denk: lees wat Jan Rogier schreef - en door mij geciteerd wordt op p. 429 van Dat nooit meer:
'Terwijl Martin van Amerongen het liefst schreef over uitwassen als de Noordbond, richtte zijn collega Jan Rogier zich op zaken en personen die minder opvallend maar volgens hem juist daarom des te belangrijker waren. Rogiers alertheid voor de werkelijkheid achter de schijn lag in het verlengde van zijn weerzin tegen de cultuur waarin hij opgegroeid was: de katholieke. Hypocrisie zou haar kenmerk zijn: van buiten wit, vanbinnen zwart ofwel mooie praatjes op de preekstoel maar vuile maatjes achter de schermen. Precies dit bespeurde hij bij de man die volgens hem model stond voor naoorlogs Nederland: Jan de Quay.'

vrijdag 2 december 2011

Onderschrijft de stelling van Brouwers dat de Japanse kampen even erg waren als de Duitse

schreef Ronald Havenaar in een buitengewoon vreemde recensie van Dat nooit meer in het NRC-Handelsblad. Ik lees zo'n zin alsof ik de ogen van El Greco heb: hoe kan iemand zoiets nu in de tekst lezen? Of ben ik gek? Ik vind namelijk precies het tegenovergestelde, ben het met Brouwers volstrekt on- en met Kousbroek eens. Deze zin heb ik geschreven zonder nogmaals de tekst te raadplegen. Dat zal ik nu doen. Heb ik mezelf zo slecht uitgedrukt?

(tien minuten later:) Nee, volgens mij doe ik in de uitvoerige passage over het debat tussen Brouwers en Kousbroek over de aard van de Jappenkampen precies wat ik ook elders doe en volgens mij ook moet doen: ik geef de feiten en laat het oordeel aan de lezer over. Maar alleen al de grote hoeveelheid aandacht die ik aan de redenering van Kousbroek besteed (ca. 5 pagina's, 618-623) versus de veel geringere aandacht voor het verhaal van Brouwers (1 pagina, 613-614) geeft al aan waar mijn sympathie ligt. Bovendien is het oordeel evident: de Duitse (vernietigings)kampen zijn simpelweg van een andere orde dan de Japanse kampen. Daarover is geen twijfel mogelijk, ook niet bij de lezer van Dat nooit meer. Tenzij hij, refrein van dit blog, andere bedoelingen heeft of slechts ziet wat in het eigen hoofd zit. Wat een gevangenis overigens!

Ten overvloede nog een citaat over de discussie tussen Brouwers en Kousbroek:
'Het collectieve verdraaien en verfraaien van het eigen verleden [door Nederlanders en de ontkenning van het eigen schandalige optreden in Indonesië] was volgens Kousbroek niet de enige reden dat de toestanden in de jappenkampen erger voorgesteld werden dan ze in werkelijkheid waren geweest. De andere was de in de jaren tachtig toenemende neiging zich als slachtoffer te presenteren.'
Met andere woorden: ook Brouwers was slachtoffer van die slachtofferitis. Vandaar zijn onjuiste weergave van de toestanden in de Jappenkampen. 

donderdag 1 december 2011

Verdachtmakingen aan het adres van Loe de Jong

Aldus een van de vele losse flodders in de recensie van Kieft in het NRC-Handelsblad. Laat hij me een (1!) zin noemen waaruit die verdachtmakingen blijken en ik kom hem persoonlijk een bos bloemen brengen. Ik bewonder De Jong, heb dat altijd gedaan, ben goed met een van zijn zonen en heb zijn beeld inderdaad altijd bekritiseerd. Maar zo hoort het. Nooit en nergens heb ik met kromme of vileine taal over hem gesproken. In Dat nooit meer komt zijn naam meer dan 500 keer voor, altijd met respect. De meest kritische passage die ik kan vinden is de volgende, hij staat op pagina 474 van Dat nooit meer en is de opmaat van een lang stuk over de delen 4 t.m. 7 van het Koninkrijk. De passage gaat over de gedachte dat ik in Grijs verleden ongelijk had met de bewering dat het Koninkrijk in zwart-wit geschreven zou zijn.
'Maar kan dat kloppen? Het lijkt een wat vreemde vraag in een boek dat beschrijvend wil zijn maar nog vreemder zou het zijn als ik, in dit geval als zowel subject als object van onderzoek in een spagaatpositie, aan een dergelijke vraag voorbij zou gaan: is inhoudelijke complexiteit verenigbaar met morele eenduidigheid? De vraag is des te belangrijker omdat hij niet alleen het werk van De Jong maar ook de receptie daarvan betreft. Want stel dat Het Koninkrijk, ondanks zijn morele eenduidigheid, inderdaad een complexe inhoud biedt, wat blijft daarvan in de openbaarheid over? Wat gebeurt er als tientallen pagina’s historisch proza samengevat worden in een pakkende kop, een aangrijpende foto, een stevige lead en een paar honderd woorden – samenvattingen overigens waarin Loe de Jong via anp-telexen, persconferenties, interviews en persfoto’s stevig de hand had? Het zijn vragen die zonder een indringende analyse van Het Koninkrijk moeilijk te beantwoorden zijn. Niettemin moeten ze gesteld en, al is het kort, ook beantwoord worden. Dit temeer omdat de impact van het magnum opus van Loe de Jong, zoals gezegd, verder reikt dan Nederland en de Tweede Wereldoorlog. Het betreft niets minder dan wat Von der Dunk het geestelijk fundament van onze cultuur, Aad Kosto ‘onze democratie’ en een jonger historicus ons régime d’historicité noemt: de politieke of morele grond onder onze voeten.'
Verdachtmakingen?  

Betoogt dat heel Nederland in de oorlog grijs was

Aldus een variant op de kop boven een column van Elma Drayer in Trouw van 1 december 2011 naar aanleiding van de vele berichten in afgelopen tijd dat verzetslui geen lieverdjes zijn geweest. Drayer, niet bepaald een kenner van de oorlogsproblematiek overigens, schrijft:
'Vermoedelijk bevestigen ze [die berichten] de boodschap die wij in dit postmoderne tijdsgewricht het liefste willen horen: morele zuiverheid bestaat niet. Want zie, iedereen modderde tijdens de bezetting maar wat aan. Zelfs heldendom stelt achteraf bezien eigenlijk niks voor. En zelfs potentiële slachtoffers waren soms geen haar beter dan de daders. Iedereen een beetje goed, iedereen een beetje fout. Het bewijst ten overvloede hoe diep het door historicus Chris van der Heijden gemunte concept van het 'grijs verleden' is ingedaald. Daarmee zorgde hij tien jaar geleden nog voor enige ophef. Nu is het gemeengoed.'
Dank voor het compliment maar het is onzin. Om te beginnen heb ik nog nooit iemand ontmoet die beweert dat heel Nederland in de oorlog grijs was en zeker ik zeg dat niet. Vandaar ook dat een van de hoofdstukken van Grijs verleden over de foute kant gaat en een ander over het verzet. Geen van beide polen was grijs. Wat ik wel beweer is dat ook binnen die polen weer tal van schakeringen voorkwamen. Inderdaad, er waren verzetslui die helden waren, verzetslui als lieverdjes en opportunisten. Onder de andere kant kwamen dezelfde varianten voor. Dat beweer ik en dat is een mening die anno nu door velen gehuldigd wordt. Terecht want hij is de enige juiste. Ik geloof echter geen moment dat deze mening gemeengoed is en in ieder geval is dat niet zo aan de Amsterdamse grachten. Daar domineert een heel ander beeld.

Is pessimistisch over het vak

Aldus Peter Romijn in zijn vriendelijke maar complexe oppositie. Hij zei:
'U zegt dat er gaandeweg een discrepantie is ontstaan tussen het publieke debat en de wetenschappelijke geschiedbeoefening. U lijkt te willen zeggen dat de historici dit met ongenoegen hebben zien gebeuren en dat zij geprobeerd hebben de eigenheid van het verleden te behouden in weerwil van tal van politieke en andere instrumentele discussies (711). Zou dit kritiek zijn op wetenschappers die zich de controle over hun domein ontnomen zien, of een uitvloeisel van een herinnerings- en geschiedpolitiek die de historische professie heeft ondergesneeuwd? 
Of speelt hier nog iets anders: uw eigen pessimisme over wat ons vak vermag? Ik vind hiervan nogal sterke aanwijzingen, zoals opmerkingen over een analyse van de complexiteit van het verleden die alleen mogelijk zou zijn door de gelaagdheid van het verleden te ontkennen of de noodzaak van een fasering, die tegelijkertijd behelpen blijft? (705).'
Klopt, ik constateer inderdaad een discrepantie tussen publiek debat en wetenschappelijke geschiedbeoefening. Ik ben overigens lang niet de enige. Zie bijv. wat ik in hoofdstuk 29, op pagina  664 naar aanleiding van de persreacties op het rapport over de kwestie Meertens schrijf. De pers wilde weten of de man nu fout was geweest of niet.
'De voorzitter van de commissie, Hermann von der Dunk, reageerde licht geërgerd op zoveel zwart-witdenken en stelde dat de realiteit weerbarstig kan zijn – weerbarstiger dan het geweten lief was. Een dergelijke conclusie, zo vervolgde hij, werd door de samenleving echter niet aanvaard, met als gevolg een kloof tussen historici en publiek. Terwijl eerstgenoemden de nuance zochten, eiste de openbaarheid hom of kuit. In de conclusie van het rapport legden de onderzoekers op dit laatste zelfs de nadruk door te beweren dat er een ‘nieuwe morele zuiveringsgolf’ gaande leek. Daarin moesten dit keer vooral vooraanstaande figuren het ontgelden.'
Over de botsing tussen professionals en media gaat eigenlijk heel het 29ste hoofdstuk. Maar ook eerder komt die botsing al aan bot, bijvoorbeeld naar aanleiding van de kwestie Aantjes. Inderdaad denk ik dat historici nogal eens met ongenoegen kijken naar de wijze waarop de media met hun verhaal op de loop gaan - en dat verhaal tegelijkertijd onrecht doen. Ik bekritiseer de historici daarom niet, waarom zou ik? Je zou eerder de media kunnen bekritiseren. Wel ben ik voorstander van een geschiedschrijving die zich, als het om voor de actualiteit relevante onderwerpen gaat, bewust richt op de openbaarheid. Dit omdat ik meen dat het verleden ons belangrijkste denkmateriaal (wat hebben we meer dan de feiten van het verleden, ons verstand als instrument en de hoop op de toekomst) en dus nodig is voor het democratisch debat. Dit temeer omdat dat debat in onze gemediatiseerde samenleving nogal eens ontaardt in hypes en andere ondoordachte opwinding. Vandaar ook dat ikzelf probeer 'publieksboeken' te schrijven.

Ik ben eerlijk gezegd bang dat historici altijd slechts zeer gedeeltelijk de controle over de geschiedenis hebben gehad en vind dat maar goed ook. De geschiedenis is van iedereen, het verleden is zoals gezegd ons belangrijkste 'denkmateriaal'. Het is juist het spel over dat verleden tussen politici (gebruik), media ('sensationele' weergave), publiek (mythevorming) en professionals (nuancering) dat 'de geschiedenis' maakt.

Tot slot mijn pessimisme over het vak. Nee, als ik echt pessimistisch was, zou ik er niet de hele dag mee bezig zijn en al zo'n drie dikke en een heleboel kleinere historische boeken geschreven hebben. Geschiedschrijving kan veel maar is en blijft net zo complex als 'het leven'. Laag loopt over laag, beeld over beeld, visie over visie en het is buitengewoon moeilijk in al die complexiteit orde te brengen. Maar het lukt, soms, en de een beter dan de ander. Pessimistisch? Nee, ik zou zeggen realistisch en, inderdaad, principieel sceptisch: een 'philosophy of imperfection'.